Samenvatting Markten en overheid Afbeelding van boekomslag

Samenvatting Markten En Overheid

- P J Eijgelshoven, et al
ISBN-10 9001784259 ISBN-13 9789001784256
29 Flashcards en notities
Scroll naar beneden om een preview van de PDF te bekijken!
LET OP!!! Er zijn slechts 29 flashcards en notities beschikbaar voor dit materiaal. Deze samenvatting is mogelijk niet volledig. Zoek a.u.b. soortgelijke of andere samenvattingen.
  • Deze + 400k samenvattingen
  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers die je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo

Een onderdeeltje van de samenvatting - Markten en overheid Auteur: P J Eijgelshoven, A Nentjes, B C J van Velthoven ISBN: 9789001784256

  • 3 Producentengedrag 33

    Dit is een preview. Er zijn 3 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 3

  • Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen korte en lange termijn op de markt?
    - er zijn geen constante kosten meer
    - het aantal bedrijven kan varieren, toe en uittreding: doordat alles nu variabel is kunnen bedrijven gaan verhuizen of toetreden etc.
  • 5 De goederenmarkt met volledige mededinging op lange termijn 67

  • Waar ligt het shutdownpunt op de lange termijn?
    Onder de GTK gewoon. Je hebt immers geen constante kosten meer dus alles onder de Gemiddelde totale kosten is slecht. Op de lange termijn kun je dus nooit blijven produceren met constant verlies.
  • 6 Monopolie en monopolistische concurrentie 75

    Dit is een preview. Er zijn 4 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 6

  • wanneer is er sprake bij de volgende vormen van beperkte mededinging
    1. Veel aanbieders, heterogene producten = 
    2. weinig aanbieders, homogeen product  = 
    3. weinig aanbieders, heterogeen product =
    4. één aanbieder, één product (zonder nauw aanverwanten substituten) =

    5. veel aanbieders, homogene producten = 
    1 = monopolistische concurrentie
    2= homogeen oligopolie
    3=  heterogeen oligopolie
    4 = monopolie
    5 = volledige mededinging
  • noem voorbeelden bij de typen:
    1. monopolistische concurrentie
    2. homogeen oligopolie
    3. heterogeen oligopolie
    4. monopolie
    5. volledige mededinging
    1.detailhandel, horeca
    2. bulkchemie, basismateriaal
    3. auto's, wasmachines
    4. nutsbedrijven (zoals veerdienst Terschelling)
    5. agrarische producten.
  • Wanneer is de winst maximaal voor de monopolist?
    waar MO = MK, hetzelfde dus als bij de producent op de markt met volledige mededinging.
  • Waarom zie je bij schaalvoordelen maar 1 aanbieder?
    - toetreden is heel moeilijk
    - de GTK zijn het laagst bij de productieomvang die dicht bij de marktvraag zit: het is dus goedkoper dat 1 aanbieder het doet want die produceert dan al voor de hele markt. 
  • Aan welke twee voorwaarden moet prijsdiscriminatie voldoen, wil het werken?
    - de  markten moeten apart gescheiden kunnen worden.
    - de prijsafzetcurven per markt moeten verschillen.
  • Wanneer kan je bij dumping de prijs zo laag maken dat hij zelfs beneden de kostprijs ligt?
    Als je op andere markten genoeg winst maakt om het te compenseren. Dan kun je de dumpprijs zo lang volhouden dat het voor concurrenten heel moeilijk wordt om toe te treden, of om het vol te houden op die markt. 

    Kun je de prijs niet volhouden, zien je concurrenten dat ook en wachten ze gewoon rustig af.
  • Hoe geef je een prijzenoorlog tussen twee producenten weer in de grafiek?

    Als je dus op het tentamen een prijzenoorlog in de grafiek wil weergeven begin je met een beginsituatie van onderneming A (dus een vraagcurve en een horizontale MK, laat je zien wat er met de vraagcurve gebeurt zodra de andere onderneming zijn prijs verlaagt en kun je de nieuwe P en Q laten zien.

  • Waarom is er sprake van welvaartsverlies als je de markt met volledige mededinging vergelijkt met de markt met een monopolist?
    Omdat bij een  markt met volledige mededinging het welvaartsevenwicht wordt bereikt: producentensurplus en consumentensurplus zijn daar met elkaar in evenwicht. Bij een monopolist is de prijs hoger en de aangeboden hoeveelheid lager, omdat hij zelf de prijs kan bepalen. dit zorgt voor en groter consumentensurplus ten opzichte van het consumentensurplus, maar ook voor een verlies van een deel van het totale surplus = welvaartsverlies. (zie voor grafisch in aantekeningen) 
LET OP!!! Er zijn slechts 29 flashcards en notities beschikbaar voor dit materiaal. Deze samenvatting is mogelijk niet volledig. Zoek a.u.b. soortgelijke of andere samenvattingen.

Om verder te lezen, klik hier:

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting +380.000 andere samenvattingen Een unieke studietool Een oefentool voor deze samenvatting Studiecoaching met filmpjes
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

De volgende onderwerpen worden behandeld in bovenstaande samenvatting