Samenvatting: Neuropsychologie

Studiemateriaal generieke omslagafbeelding
  • Deze + 400k samenvattingen
  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo

Lees hier de samenvatting en de meest belangrijke oefenvragen van Neuropsychologie

  • 1 Neuropsychologie: week 1

  • 1.1 Localisatie termen

    Dit is een preview. Er zijn 3 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 1.1
    Laat hier meer flashcards zien

  • De volgende begrippen zijn belangrijk om te kennen om het vak neuropsychologie te begrijpen. Leg de volgende begrippen uit: ipsilateraal, contralateraal, efferent, afferent, grijze stof, witte stof en witte stof vezel.

    Ipsilateraal = aan dezelfde kant.
    Contralateraal = aan de andere kant.
    Efferent = naar de hersenen toe.
    Afferent = naar de organen toe.
    Grijze stof = de grijze gebieden (cellichamen).
    Witte stof = de connecties, de ‘pathways’.
    Witte stof vezel = zorgen voor de informatie van en naar de hersenen.
  • Wat betekent ‘op supraspinal niveau’?

    Daar duid je 'alles boven de ruggengraat' mee aan
  • Hier zie je een lateraal beeld van het brein. Beschrijf welke kleur wat inhoudt en welke functies het bevat. Het zijn 6 punten bij blauw, 2 punten bij geel, 2 punten bij rood en 5 punten bij groen.

    Frontale kwab (blauw)
    * 1. selecteren van gedrag
    * 2. Bewegingen op basis van cues uit de omgeving
    * 3. Interne kennis
    * 4. Geheugen
    * 5. emoties.
    * 6. beloning
    Parietale kwab (geel) =
    * 1. verwerken en integreren van somatosensorische en visuele informatie.
    * 2. De spatiele processen (verwerken van spatiele informatie) met betrekking tot beweging
    Occipitaal kwab (rood) =
    * 1. visuele informatie verwerken
    * 2. verwerking van vormen,  beweging en kleur en in het bijzonder gezichten
    Temporale kwab (groen) =
    * 1. categoriseren van sensorische informatie (visueel en auditief)
    * 2. geheugen
    * 3. taal
    * 4. spatiele processen met betrekking tot  object herkenning
    * 5 het geheugen van object lokalisatie.
  • 1.2 The brains blood supply

  • Het brein bevat 3 belangrijke slagaderen. Noem ze alle 3 en licht toe wat de functie is

    1. Anterior cerebrale slagader = vascularizatie in het middelstelste en dorsale gedeelte van de cortex. 
    2. Middel cerebrale slagader = vascularizatie in het laterale gedeelte van de cortex
    * Belangrijk voor arm, hand en gezichtsfunctie. Deels het been, omdat het been ook bloed krijgt van de cerebrale slagader. 70% van de patienten met een breininfarct hebben hier een afwijking. 
    3. Posterior cerebrale slagader = vasularizatie van het ventrale (de occupational lobe) en posteriore gedeelte van de cortex.
  • 1.3.1 Central nervous system

  • Het centrale zenuwstelsel (CZS) bestaat uit het brein en het ruggenmerg. De CZS bestaat uit 3 hoofdstructuren, 5 ventrikels, 5 subdivisies en 9 principieel structuren. Leg bij elke hoofdstructuur uit welke ventrikels daarbij horen en welke subdivisie en welke principieel structuren.

    Anatonomische subdivisies van het brein
  • Het brein bestaat uit een centraal zenuwstelsel en uit het perifere zenuwstelsel (PNS). Uit welke twee zenuwen het PNS en hoeveel zijn dit er per categorie?

    - 12 hersenzenuwen 
    - 31 paren ruggengraadzenuwen
  • 1.3.2 Peripheral nervous system

  • Waarom resulteert een laesie van een perifere zenuw vaak in sensorische én motorische verstoringen? 




    Omdat op sommige momenten de sensorische en motorische zenuwen heel dicht bij elkaar zitten. 
  • 1.3.4 The forebrain

    Dit is een preview. Er zijn 4 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 1.3.4
    Laat hier meer flashcards zien

  • Uit welke twee onderdelen bestaat het ''forebrain'', of terwijl de voorhersenen? Uit welke subonderdelen bestaat dit, in welk onderdeel zit of wat voor functie hebben ze? Je hoeft nog niet te benoemen waar deze subonderdelen weer uit bestaan.

    1. Telephalon
    - Cerebrale cortex = laterale en mediale onderdeel, bestaat uit zes lagen grijze stof en is erg gerimpeld.
    - Basal ganglia = belangrijk voor de controle over beweging en gewoontes leren.
    * caudate nucleus
    * putamen
    * globus pollidus
    - Limbische systeem = betrokken bij leren, geheugen en emoties
    * amygdala = emotie
    * hippocampus = persoonlijk geheugen
    * cingulate cortex = seksueel gedrag en sociale interactie

    2. Diencephalon
    - Thalumus = steunzender voor sensorische informatie naar de cortex
    * laterale cingulate = visie
    * mediale cingulate = gehoor
    - Hypothalumus = 1. eten, seks, slaap, temp. 2. Regulatie, emotioneel gedrag en endocriene functie. 3. Controleert het autonomische centrale zenuwstelsel, stimuleert hormoonafscheiding in de hypofyse
  • Dit is een plaatje van de dicephalon. Vul de witte vlakken in van boven naar onder

    1. Thalumus
    2. Pijnappelklier
    3. Hypothalumus  
    4. Hypofyse
  • Het voorbrein bestaat uit de telecephalon en de dicephalin. Het telecephalon bestaat hierbij uit het limbische systeem, de cerebrale cortex en de basal ganglia. Het plaatje wat je hier ziet is de basal ganglia. Beschrijf waar de subonderdelen (3) horen van boven naar ander

    Zie plaatje

Om verder te lezen, klik hier:

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting +380.000 andere samenvattingen Een unieke studietool Een oefentool voor deze samenvatting Studiecoaching met filmpjes
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart