Studiemateriaal generieke omslagafbeelding

Samenvatting Praktische Economie

- Peter Adriaansen Aad Zuidewijk
ISBN-13 9789034598017
335 Flashcards en notities
Scroll naar beneden om een preview van de PDF te bekijken!
  • Deze + 400k samenvattingen
  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo

Een onderdeeltje van de samenvatting - Praktische economie Auteur: Peter Adriaansen Aad Zuidewijk ISBN: 9789034598017

  • 2 de markt van vraag en aanbod

  • 2.1.1 De vraag naar goederen

    Dit is een preview. Er zijn 3 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.1.1
    Laat hier meer flashcards zien

  • 3. Bekijk de vraaglijn van bron 2. Welke functie hoort bij deze vraaglijn?
    A. Qv = -0.25P + 275
    B. Qv = -0.25P + 162,5
    C. Qv = -4P + 275
    D. Qv = -4P + 350
    D: -4px50(-200) +350= 150
        -4 px20(-80)  +350=  270 
    de D is goede antwoord.
  • 2.1.1.1 Een verandering langs de vraaglijn

    Dit is een preview. Er zijn 1 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.1.1.1
    Laat hier meer flashcards zien

  • 4. Bekijk bron 3 en bron 4.
    a. Hoeveel procent is de gemiddelde prijs van een pretparkkaartje gestegen?
    b. Hoeveel procent is het aantal gevraagde kaartjes gedaald als gevolg van de prijsverhoging?
    c. Een merk heeft relatief trouwe klanten als de gevraagde hoeveelheid procentueel minder daalt dan de prijs in procenten stijgt. Hebben pretparken in 2013 trouwe klanten? Verklaar je antwoord.
    d. Waarom blijven in 2013 veel bezoekers weg na een prijsverhoging van de kaartjes?
    a. 26,50 - 25 = 1,50
    1,5: oud = 1,50 : 25 = 0,06 x 100% = 6%

    b. 400.000 - 340.000 = 60.000
    60.000: 400.000 = 0.15 x 100% = 15%

    c. Nee, ze hebben in 2013 geen trouwe klanten, omdat na de prijsverhoging de vraag naar kaartjes 15% is gedaald. Dit is hoger dan de 6% van de prijsstijging is toegenomen.

    d. Omdat de nieuwe prijs voor sommige gezinnen haast onbetaalbaar is, waar ook nog de economische crisis op komt.
  • 5. Bekijk in bron 5 de twee vraaglijnen naar snoepjes van bedrijf A en B. Welk bedrijf heeft de trouwste klanten? Verklaar je keuze.
    Bedrijf A heeft de meest trouwe klanten. Dit kan je zien door een streep vanaf de hoogste prijs, in dit voorbeeld €2, tot waar die de vraaglijn raakt. Vanaf hier een streep naar beneden trekken en kan je zien welke van de twee de meeste vraag naar hun product heeft.
  • 2.1.1.1.1 Een verandering van de vraaglijn

    Dit is een preview. Er zijn 1 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.1.1.1.1
    Laat hier meer flashcards zien

  • 6. Bekijk bron 6. In welke richting verschuift de vraaglijn van pretparkkaartjes als:
    a. Het inkomen van de consumenten daalt;
    b. De smaak van consumenten verandert ten gunste van museumbezoek;
    c. Het aantal consumenten stijgt;
    d. Kaartjes voor een pretpark goedkoper worden;
    e. De toegangsprijs voor de dierentuin daalt.

    Verklaar bij a tot en met e je antwoord.
    a. Links

    b. Links
    c. Rechts.
    d. Rechts.
    e. Links.
  • 7. De koopkracht geeft aan hoeveel goederen en diensten de consument kan kopen. Welke consument heeft de hoogste koopkracht? Verklaar je keuze.
    Consument A verdient €40.000 en woont in provincie A waar de goederen gemiddeld €20 kosten.
    Consument B verdient €44.000 en woont in provincie B waar de goederen gemiddeld €21 kosten.
    A. €40.000:20 = 2000 spullen kopen

    B. €44.000:21 = 2095 spullen kopen

    Persoon B heeft dus een hogere koopkracht.
  • 8. Bekijk de verandering van de vraag in bron 7. Dit kan het gevolg zijn van:
    a. Een hogere koopkracht bij de bevolking.
    b. Een prijsstijging van de Citroen C5.
    c. Een daling van het aantal inwoners in Nederland.
    d. Het verdwijnen van andere automerken.
    A = nee

    b = ja
    c = ja
    d = nee
  • 9. Bedenk twee andere oorzaken voor het verschuiven van de vraaglijn van de Citroen C5.
    1. De smaak van de consumenten verandert.

    2. prijs van concurrent daalt.
  • 10. Stel: de gemiddelde prijs van scooters stijgt van €1.800 naar €2.200.
    a. Is het gevolg van deze prijsstijging een verschuiving van of langs de vraaglijn van scooters? Verklaar je antwoord.
    b. De prijsstijging van scooters heeft ook invloed op de vraag naar andere goederen. In welke richting verschuift de vraaglijn van benzine als gevolg van de prijsstijging van scooters? Verklaar je antwoord.
    c. In welke richting verschuift de vraaglijn van fietsen als gevolg van de prijsstijging van scooters? Verklaar je antwoord.
    A. Hier is sprake van een verschuiving van de vraaglijn, omdat door de prijsstijging weinig gevraagd wordt.omdat de daling vande vraag hier niet gegeven is.

    b. Naar links, omdat minder mensen de scooter willen kopen waardoor ook minder mensen benzine nodig hebben, dus de vraag naar benzine wordt ook minder.

    c. Naar rechts, want mensen kopen dan een goedkoper alternatief dat hun van A naar B brengt.
  • 2.1.2.1 Vaste en variabele kosten

    Dit is een preview. Er zijn 6 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.1.2.1
    Laat hier meer flashcards zien

  • 1: Lees  de intro . Ondernemers maken kosten. Geef een paar voorbeelden van kosten van het bedrijf van Bernd en steijn.
     Huur
    energie
    water
    personeel 
    verzekeringen 
    adminstratie
  • 2:Kies de juiste conclusies. Een ondernemer verkoopt 30 overhemden van €30 per stuks.
    De totaal kosten €420.
    A: De afzet is € 900
    B : De omzet is 30 stuks.
    C: De winst is €900
    D: De omzet is €900
    E: De winst is € 480    (30x€30=€900-420= 480 TW)


    formule: TO-TK=TW

Om verder te lezen, klik hier:

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting +380.000 andere samenvattingen Een unieke studietool Een oefentool voor deze samenvatting Studiecoaching met filmpjes
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart